Op maandagavond 10 november 2025 vond de boekpresentatie plaats van:
Ootmoed. De Visioenen van Hadewijch. Over het inzicht in Minne
Uitgever Elsbeth Greven opende de avond met een inleidend woord waarin zij onder meer inging op de ootmoed. Inigo Bocken, hoogleraar mystieke theologie aan de KU Leuven en verbonden aan de Radboud Universiteit en Titus Brandsma Instituut, plaatste Hadewijch in de mystieke traditie en gaf aandacht aan de helderheid en ootmoed bij Hadewijch. Vertaler Agnes Hoffschulte vertelde over de totstandkoming van haar Hadewijch-vertalingen en presenteerde ook een aantal teksten in het Middelnederlands.
Hieronder is de voordracht van Inigo Bocken te lezen.
Wat goed is het dat we vanavond de Visioenen van Hadewijch in een prachtige, heldere vertaling kunnen voorstellen! Helderheid – het is een woord dat vaak valt, in de tekst van Hadewijch zelf, maar ook in de gedreven en heel ‘verhelderende’ inleiding die Agnes Hoffschulte heeft geschreven. Helderheid, het is een woord dat opkomt wanneer we de Visioenen zelf lezen – en die, ondanks de grote afstand in tijd die ons van Hadewijch scheidt, eigenlijk nauwelijks commentaar behoeven – anders dan andere teksten uit de mystieke traditie, zeker uit de verre Middeleeuwen. Dat is zelfs al anders bij iemand als Bernardus van Clairvaux – en bijvoorbeeld zijn schitterende Preken over het Hooglied die dan weer door Wim Verbaal zo mooi vertaald zijn – en uitvoerig becommentarieerd, wat ook meer dan nodig is. Want hoewel iemand als Bernardus niet ophoudt te benadrukken dat het hem om de ervaring gaat, dat het niet gaat om objectieve schema’s, maar om de liefde te leren – toch is het moeilijk om de diepte van zijn tekst te begrijpen zonder historische of exegetische voetnoten. Hoewel we weinig weten van de persoon van de auteur Hadewijch – wie ze precies was, welke vorming ze genoten heeft, waar ze precies geleefd heeft, met wie omging – nemen haar teksten ons mee in een beeldende wereld die ook mensen uit onze tijd restloos kunnen begrijpen. Restloos is misschien veel gezegd – want dat is een woord dat niet bij de mystieke theologie past. Een tekst is dan mystiek wanneer zij juist de grenzen van het weten thematiseert – wanneer het tekort van de taal wordt gethematiseerd. Maar het niet-weten van de mystiek behelst allerminst agnosticisme. Als er al een eigenschap is die een mystieke auteur kenmerkt, is het wel het streven naar het begrijpen van dit niet-weten – de mystieke schrijfster of schrijver wil begrijpen waarover dit niet-weten precies gaat. En zo is het ook bij Hadewijch – Agnes Hoffschulte heeft heel goed begrepen – zo leer ik uit haar inleiding – dat Hadewijch, ondanks alle emoties die de revue passeren, een denker is – het is mystieke theologie, niet zomaar een poëtische expressie van een subjectief gevoel. En het centrale thema van deze mystieke theologie van Hadewijch is de minne – misschien is het woord liefde nog te zwak – minne verwijst zowel naar het object van de liefde, als naar het subject, als naar de relatie tussen die twee. In een tegenwoordig vergeten studie van Hadewijch heeft Marcel Brauns al in 1959 het denken van Hadewijch een fenomenologische reflectie op de minne genoemd (niet toevallig onder de veelzeggende titel ‘Fierheid in de religieuze beleving’). Of zoals Björn Schmelzer het recent uitdrukte, mystiek is eigenlijk de wetenschap van de liefde. Een met de rede exploreren van alle valkuilen, verhevenheden, tegenstrijdigheden en paradoxen die met de liefde gegeven zijn. Ik noemde al het weten en het niet-weten – maar hoewel die epistemologische kant niet afwezig is bij Hadewijch, benadrukt zij andere ervaringslagen van de menselijke geest. Maar – hier hebben we de helderheid van Hadewijch weer – zij begrijpt heel goed dat paradoxen pas in volle diepte tot hun recht komen door een denken dat ingebed is meerdimensionale beelden – Visioenen dus, die de creatieve ruimte openen die in beelden aanwezig zijn en de beweging van de minne die Hadewijch wil beschrijven tot uitdrukking brengen. Visioenen hebben vaak de reputatie dat ze juist de irrationele kant van de ervaring laten zien, maar tenminste Hadewijch (en met haar iemand als Hildegard van Bingen) toont ons dat het visioen voor haar een genre is dat de paradox van de liefde recht doet.
In de Visioenen is het de paradox van de ootmoed die de beschrijving leidt. Een prachtig woord – zoals Hadewijch wel meer gevoel heeft voor prachtige woorden (denken we maar aan ‘orewoet’) – een ode aan de moed, zoals Agnes benadrukt. Een woord dat enigszins in de vergetelheid is geraakt omdat het verwijst naar een instelling die in de Moderne Tijd die zo trots is op de eigen verwezenlijkingen in een negatief daglicht staat. Bij Hadewijch is de ootmoed in evenredigheid verbonden met fierheid (denken we aan de titel van de studie van Marcel Brauns). Wanneer Hadewijch haar kleinheid ervaart, weet ze dat dit juist mogelijk is omdat ze in staat is de grootheid te ervaren. Lijden ervaart ze omdat de vreugde voorondersteld wordt. De vooronderstelling van het tekort is het te veel, de overvloed. De ervaring van het lijden is de contrastfolie van de liefde. De ervaring van de ootmoed is daarom de bevestiging van het feit dat ootmoed altijd met fierheid gegeven is. Ontvankelijkheid – een belangrijk aspect van ootmoed – is een actieve daad, die juist een waarachtig en authentiek zelfbewustzijn laat zien.
Die spanning tussen fierheid en ootmoed, tussen grootsheid en kwetsbaarheid, krijgt in het eerste visioen een bijna tastbare vorm. Hadewijch ziet zich daar geplaatst in een landschap vol bomen – elk van die bomen staat voor een kracht of deugd die de mens innerlijk moet leren verstaan.
De boom van zelfkennis, de boom van ootmoed, van onderscheid, van wijsheid – het zijn allemaal gedaanten van één en dezelfde beweging: het groeien naar Minne toe.
In het begin van het visioen is Hadewijch te zwak om naar de mis te gaan.
Ze ontvangt de communie thuis en wordt juist in die lichamelijke kwetsbaarheid “in de geest” opgenomen. Daarin schuilt een diepe theologie van de incarnatie: het visioen begint niet in volmaaktheid, maar in ziekte, niet in kracht maar in overgave.
De Geest openbaart zich in een lichaam dat niet meer kan, en juist daardoor ontvankelijk wordt. In dat innerlijke landschap ziet ze de boom van ootmoed – een kleine boom met dorre bladeren die de groene, vitale bladeren eronder bedekken.
Die dorre bladeren zijn voor mij het mooiste beeld van Hadewijchs ootmoed: het verbergen van eigen goedheid, niet uit angst, maar om ruimte te laten voor de kracht die groter is dan jezelf. De boom zegt: wie zijn eigen glans niet opdringt, maakt het mogelijk dat iets goddelijks door hem heen straalt. Een ander beeld dat haar visie samenvat, is de boom van Godskennis – die merkwaardig genoeg op zijn kop staat, met de wortels in de hemel en de kruin naar de aarde.
Dat is misschien het meest revolutionaire beeld uit de hele middeleeuwse mystiek:
de weg naar kennis loopt niet alleen van beneden naar boven, maar van boven naar beneden. De weg naar boven is de weg naar beneden.
Niet de mens die klimt, maar God die neerdaalt, en de mens die durft te ontvangen.
Hadewijch herkent dat de geestelijke groei altijd omgekeerd verloopt: juist wie zijn grenzen erkent, wordt opgenomen in de oneindigheid.
Het visioen eindigt met een ontmoeting met Christus zelf.
Hij verschijnt niet als een verre majesteit, maar als een leraar die haar aanspreekt:
“Omdat jij mens bent, leef dan ook als mens.”
Dat is misschien de meest verrassende zin van heel haar mystiek.
De weg naar God loopt niet buiten het menselijke om, maar er dwars doorheen.
Lijden, zwakheid, tekort – het zijn niet de tegendeelpolen van Minne, ze zijn haar ademruimte. Christus geeft haar dan drie gaven mee: de bladeren van de bomen – het inzicht; de roos – de Minne zelf; en de kern van de roos – de ervaring van zijn aanwezigheid. De roos, met haar geur en haar doornen, wordt bij Hadewijch het beeld van de liefde die tegelijk wond en genezing is. Daarom eindigt het visioen met die wonderlijke zin: “Geef alles, want alles is van jou.” Daarmee is de paradox van de Minne volledig: door alles weg te schenken, ontvangt de ziel alles terug.
Door te leven als mens, wordt zij goddelijk. Door te aanvaarden dat zij niet bezit, wordt zij rijk. En misschien is dat ook waarom Hadewijch ons vandaag nog aanspreekt.
In een tijd waarin we gewend zijn liefde te begrijpen als een vorm van zelfontplooiing of zelfbeschikking, herinnert zij ons eraan dat liefde in wezen altijd wederkerig is: een kracht die zich pas voltrekt wanneer we de regie durven verliezen.
In Hadewijchs taal van ootmoed en fierheid klinkt iets van een vergeten wijsheid:
dat ons mens-zijn zelf de plaats is waar het goddelijke zich wil openbaren.
Dat de roos van de Minne, met haar doornen en haar geur, nog steeds groeit —
ook in ons.
Hadewijchs Visioenen, zoals ze nu in deze prachtige en heldere vertaling voor ons liggen, kunnen we inderdaad lezen als een handboek — maar niet in de moderne zin van een systeem of methode.
Het is een handleiding van de wetenschap van de liefde die de mystieke theologie is: een leer die niet uit is op beheersing, maar op omvorming.
Wie deze visioenen leest, leert niet hoe men God moet begrijpen, maar hoe men zich laat begrijpen door God.
En misschien is dat de meest bevrijdende helderheid die Hadewijch ons nalaat:
dat het licht van de liefde pas zichtbaar wordt in het besef dat wij het niet zelf voortbrengen, maar dat het ons geschonken wordt — telkens opnieuw, als een roos die zich opent in de morgenlucht.
(Inigo Bocken)

